build your own website for free

Grote bergen data

Richard Verkijk, RIO rechtbank Limburg

Nadat ik mij een kleine twintig jaar lang niet met het strafrecht had beziggehouden, mocht ik vanaf 1 juli 2016 gaan rechtspreken als strafrechter. Dat klinkt als een risico, en dat is het natuurlijk ook. Niet persé voor mij, maar voor de verdachte, het slachtoffer en de samenleving. Nadat ik negen maanden recht had gesproken heb ik de drie maanden daarna opgetreden als officier van justitie. Daarin school datzelfde risico.


Heeft het risico zich verwezenlijkt, is er door mijn optreden en als gevolg van mijn gebrek aan kennis schade opgetreden? Helemaal zeker weten doe ik het niet, maar ik heb de indruk dat het goed is gegaan1. Natuurlijk had ik eerst de nodige cursussen gevolgd en ik begon als bijzittende rechter in een meervoudige kamer, zodat ik er enigszins in kon groeien. Ik werd begeleid door ervaren strafrechters. Wellicht heeft mij ook geholpen dat ik ooit in Maastricht ben opgeleid als juridisch probleemoplosser. De focus in die opleiding lag niet vooral op het verwerven van parate kennis, maar op de ontwikkeling tot professional die in staat was in nieuwe situaties eerder opgedane kennis toe te passen, door deze aan te vullen met nieuw gevonden kennis die specifiek op die situatie was gericht en door aan de hand daarvan het probleem - de casus – te lijf te gaan.


Om diverse redenen is de rechtenopleiding in Maastricht later een zwaarder accent gaan leggen op kennisverwerving. Het is eigenlijk niet interessant of dat terecht was. Wat we willen weten, is waar het heen moet. De rechtspraak, het openbaar ministerie en de balie vragen om adequaat opgeleide juristen en klagen over het niveau van afgeleverde rechtenstudenten. En de universiteiten willen natuurlijk ook mensen waar ze iets aan hebben maar die kunnen de schuld voor ‘slecht opgeleide’ juristen niet elders neerleggen, dus hoor je ze minder.

Waar moet het heen? De toekomst voorspellen is niet zo eenvoudig. In zijn boek Homo Deus analyseert Harari het verleden, juist om ervan bevrijd te worden. Als je weet op welke wijze we gekomen zijn waar we zijn, en je daarbij realiseert wanneer en waar het anders had kunnen lopen, weet je ook dat het niet het verleden is dat bepaalt waar we heen gaan. Het probleem van het voorspellen van de toekomst is evident, maar hier, in Europa, hebben we soms het gemak dat we bepaalde aspecten van de nabije toekomst kunnen bestuderen. Dat heeft Nora van Oostrom gedaan, en de aldus opgedane kennis heeft zij verwerkt in haar recente artikel in WPNR2. Zij beschrijft daarin hoe bestaande concepten van ethiek mogelijk niet meer werken in een juridische wereld waarin kunstmatige intelligentie een belangrijke rol speelt. Ik citeer haar:


“Breed wordt aanvaard dat AI (artificial intelligence, door mij vertaald als kunstmatige intelligentie -RV) ook een grote rol kan spelen in de juridische wereld. Het recht speelt zich immers af in een raamwerk van duidelijke regels en structuren en rechterlijke uitspraken zijn (als het goed is) een gevolg van logische gevolgtrekkingen. Daarnaast zullen juristen zich door steeds grotere bergen data moeten worstelen om een compleet beeld te krijgen van het veld waarin de casus zich afspeelt zodat het voor de hand ligt gebruik te maken van slimme systemen die grote hoeveelheden data kunnen verwerken.”

Ik weet niets van kunstmatige intelligentie, en zal geen lans breken voor de toepassing daarvan in systemen van rechtspraak. Evenmin zal ik het tegendeel bepleiten, dat er altijd een rechter van vlees en bloed nodig blijft om het uiteindelijke oordeel te geven omdat een machine zich nu eenmaal geen praktische wijsheid, phronèsis, kan verwerven. Ik veroorloof me slechts de kanttekening dat ik zo af en toe wel lees of hoor betogen dat rechters op termijn vervangen kunnen worden door algoritmes – algorechters zeg maar – maar dat ik nog nooit heb gehoord dat advocaten kunnen worden gemist bij het bepleiten van de zaak. Wel als het gaat om advisering, maar niet bij het pleiten ten overstaan van de rechter en de officier van justitie. Als de advocaat inderdaad niet kan worden gemist, zal het wel even wennen zijn als zij haar overtuigingskracht straks moet aanwenden om de artificial judiciary te overtuigen van de onschuld van haar cliënt.  

Maar dat alles terzijde. De toekomst die Van Oostrom bestudeerde is natuurlijk de rechtspraktijk in de Verenigde Staten en literatuur daarover. De toepassing van kunstmatige intelligentie daar is al wijder verbreid dan bij ons en het is waarschijnlijk dat we met sommige toepassingen daarvan in het recht ook in Nederland zullen worden geconfronteerd. 

Dat maakt het nog niet waarschijnlijk dat we om die reden in Nederland nu al over de volle breedte van de rechtspraktijk moeten nadenken over nieuwe ethische concepten. Op termijn wellicht, maar nu is dat nog meer iets voor een voorhoede, voor liefhebbers en wetenschappers en voor advocaten die veel met de counterparts uit de VS samenwerken. Maar waar het denken en vooral de uitvoering wel al tekort schiet, is de omgang met de digitale mogelijkheden die alomtegenwoordig zijn. Ik verwijs naar de ‘steeds grotere bergen data’ uit het citaat hierboven. Die bergen liggen er al. Mijn stelling is dat de huidige generaties juristen niet steeds voldoende zijn opgeleid om daar efficiënt en effectief mee om te gaan. Oudere generaties zien nog steeds bruine NJ-banden voor zich en zoeken daarom soms weinig efficiënt en dreigen het overzicht te verliezen, jongere generaties hadden nooit het overzicht en verliezen het contact met de herkomst van bronnen, waardoor ze in toenemende mate het risico lopen dat ze digitaal verkregen informatie niet op waarde kunnen schatten. 


Een probleem is dat juristen bij digitalisering nog vooral denken aan de digitalisering van papier. Dat leidt in de rechtspraktijk tot grote investeringen in het scannen van dossiers, en correspondentie tussen rechters, advocaten en officiers van justitie via beveiligde systemen en computerschermen in de zittingzaal. Dat is allemaal nuttig en nodig, maar het is tegelijk niet meer dan de verquartzing van wat voorheen papier was: voorheen kapten we bomen om de boodschap over te brengen, nu gaat dat met de hulp van microchips en een toetsenbord via schermen. Wat echter echt is veranderd, is de beschikbaarheid van kennis. Wordt de jurist van tegenwoordig voldoende opgeleid en van gereedschappen voorzien om de grote bergen data te lijf te gaan? Of ligt de focus van opleidingen nog steeds vooral op het verwerven van kennis in plaats van op het zoeken, vinden, selecteren en waarderen ervan? Mijn indruk is dat deze vragen respectievelijk met nee en ja moeten worden beantwoord en dat dit het gevolg is van aanbod en vraag, van wat er aan de universiteiten gebeurt en evengoed van wat het afnemend beroepenveld vraagt. Dat is wel een zorg. 


Ik kom toe aan een afronding van deze overpeinzingen. Als hiervoor de indruk gewekt is dat ik het artikel van Van Oostrom beschouw als hobbyisme of utopisme dan is dat onterecht. Wat de jurist van de toekomst immers nodig zal hebben, naast die eerder genoemde gereedschappen om de databergen te ontleden, is professionalisme en ethisch besef. Vroeger kenmerkte de jurist zich door de kennis van de wet en rechtspraak. Inmiddels kan iedereen de wetten en het recht vinden. In de toekomst zal de jurist zich meer nog dan nu kenmerken doordat zij het gegeven recht kan duiden. Dat vraagt onverminderd om vertrouwen in de juristen – advocaten, officieren van justitie en rechters – en daarmee blijft het van belang dat de jurist een vertrouwensberoep uitoefent en een goed werkend moreel kompas hanteert. Het bespreken van ethische concepten is dus een ijzersterke insteek om kunstmatige intelligentie aan de orde te stellen.

----------------------------------------------------
1 Als u met mij te maken hebt gehad en u denkt er anders over, stuur een e-mail naar rechtbanklimburg@rechtspraak.nl 

2 N. Van Oostrom, Over de ethiek van de toekomst en achterhaalde concepten, WPNR 2017, 7160.



Deel deze Forum Romanum